Rapport Ros funest voor groot deel veehouderij

Op 13 mei 2026 vindt in de Tweede Kamer een Technische Briefing plaats over het rapport Ros e.a. en de bijbehorende Vervolganalyse. De voorstellen in deze rapporten kunnen ingrijpende gevolgen hebben voor grote delen van de veehouderij en het landelijk gebied. Agractie Nederland heeft samen met DDB, NMV, NVP en VVK daarom een gezamenlijk Position Paper opgesteld. Hierin benoemen wij de fundamentele aannames, risico’s en uitvoeringsproblemen van de voorgestelde stikstofaanpak en reiken wij Kamerleden concrete handvatten aan voor kritische vragen tijdens de briefing.

Position Paper ten behoeve van de Technische Briefing d.d. 13 mei 2026 over het Rapport Ros e.a. 

Inleiding

Op 13 mei aanstaande vindt in de Tweede Kamer een Technische Briefing plaats met de schrijvers van het rapport Ros e.a. en de door dezelfde schrijvers opgestelde vervolganalyse.

In dit Position Paper van Agractie Nederland, de Dutch DairymenBoard (DDB), de Nederlandse Melkveehouders Vakbond (NMV), de Nederlandse Vakbond Pluimveehouders (NVP) en de Verenigingvan Kalverhouders (VVK), wordt uiteengezet waar de voetangels en klemmen zitten die door Kamerleden als handvatten gebruikt zouden kunnen worden in de Technische Briefing.

Uitgangspunten

Het Rapport Ros en de Vervolganalyse gaan uit van het bestaande narratief dat het slecht gaat met de natuur en dat stikstof daarbij één, zo niet de belangrijkste, drukfactor is. Dat bestaande narratief is met name gebaseerd op de in 2023 opgestelde Natuur Doel Analyses en de opvattingen daarover van de Ecologische Autoriteit.

Agractie heeft op basis van de bestudering van een 25-tal NDA’svastgesteld dat in al die NDA’s niet terug te vinden is dat er sprake is geweest van verslechtering t.o.v. het referentiejaar (in de meeste gevallen 2004), ook al omdat die situatie in het referentiejaar vaak niet bekend is. Daarnaast heeft Agractie vastgesteld dat in alle bestudeerde NDA’s sprake is van cirkelredeneringen over stikstof, zijnde: de berekende depositie ligt (ver) boven de KDW en dus gaat het slecht met de natuur. 

Met andere woorden: in het rapport Ros wordt weliswaar een theoretische beschouwing gewijd aan de staat van de natuur, maar de vraag is of die recht doet aan de werkelijkheid. 

Op 11 mei 2026 is in het provinciehuis in Arnhem eendocumentaire van onderzoeksjournalist Robert Ellenkamp in première gegaan. De titel van die documentaire luidt “Natuur houdt zich niet aan natuurbeleid”. In deze documentaire vertellen diverse terreinbeheerders positieve verhalen over de staat van de natuur en de biodiversiteit. De conclusie van al deze terreinbeheerders was: het gaat niet slecht met de natuur. Opvallend was dat geen van deze terreinbeheerders sprak over stikstof.

De schrijvers van dit Position Paper vinden het daarom op zijn minst voorbarig om op deze basis een ingrijpend emissiereductiebeleid te formuleren dat gigantische consequenties heeft voor (een deel van) de veehouderij in Nederland.

Berekening Emissieruimte

Ros e.a. stellen voor de berekening van de emissieruimtes voor zowel de zones van 500 meter rondom stikstofgevoelige gebieden,als met name voor de beschermingsgebieden daaromheen, te baseren op het OPS-systeem. Dat systeem mag dan volgens “Den Haag” het beste zijn wat we hebben, maar er bestaat veel discussie over met name de berekening van droge depositie op natuurgebieden. Uit het feit dat het RIVM regelmatig bijstellingen uitvoert blijkt al dat het gaat om een discutabel systeem. Dit valt ook af te leiden uit NH3 concentratiemetingen. Die blijken bijvoorbeeld in de Gelderse Vallei hoog te zijn, maar opvallend genoeg op de Veluwe zelf erg laag.

Kaartje van Van der Wal komt terug

De door Ros e.a. aangereikte systematiek kan er zo maar toe leiden dat het beruchte kaartje van Van der Wal (concept NPLG) in een andere vorm weer terugkomt. Uitgangspunt van de aanpak van Ros e.a. is dat de berekende depositie van NH3 (op basis van OPS en Aerius) in alle Natura 2000 gebieden in de buurt van de KDW komt. Daartoe wordt Nederland ingedeeld in drie soorten gebieden. 

a. Zones van 500 meter langs stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden waarbij in het rapport Ros een reductiepercentage van 80% wordt genoemd;  

b. Rond gebieden waar sprake is van een overschrijding van de KDW komen beschermingszones. Om in de buurt van de KDW(‘s) te komen wordt de emissieruimte berekend met OPS en Aerius; dit betekent dat de reductiepercentages per gebied kunnen verschillen, zoals overigens ook bij het kaartje van Van der Wal het geval was.

NB Alleen in gebieden waar “de KDW in zicht is”, kan volstaan worden met een 500 meter zone.

c. Generieke reductie in de rest van het land, waarbij als percentage 25-30% wordt genoemd.

Zie voor de uitwerking verderop in dit stuk de paragraaf over het Plan Veluwe.

Doelsturing

Om tot de in de ogen van de schrijvers noodzakelijke borging te komen, moeten er in alle gebieden bedrijfsspecifieke plafonds worden vastgesteld die afdwingbaar moeten worden bereikt. Daarmee is volgens de schrijvers de additionaliteit onderbouwd. Voor alle gebieden is doelsturing de route om te komen tot realisatie van de bedrijfsdoelstellingen (plafonds), zij het dat de schrijvers ruimte laten voor uitruil enz. Schrijvers gaan ervan uit dat het met deze aanpak mogelijk is om PAS melders en anderen te legaliseren en ook om ontwikkelingen mogelijk te maken. Uiteraard onder de voorwaarde dat men onder het bedrijfsspecifieke plafond zit/blijft/komt. 

Schrijvers van dit Position Paper begrijpen deze redenering maar dat wil niet zeggen dat zij achter de door Ros e.a. bepleite aanpak staan.

Welke veehouders betalen de prijs?

Waar schrijvers van dit Position Paper bezwaar tegen maken is de hoge prijs die veehouders in de zones en in de beschermingsgebieden moeten betalen in de vorm van zeer strenge emissiereductie eisen, waarbij aan krimp niet te ontkomen valt. In het rapport van Ros e.a. wordt aangegeven dat het voorgestelde beleid kan leiden tot een krimp van de veestapel van gemiddeld 20%. Ervan uitgaande dat “de rest van het land” niet hoeft te krimpen kan de krimp in de zones en de beschermingsgebieden dus zo maar 40-50% zijn.

En nogmaals, op basis van – in de ogen van de schrijvers van dit Position Paper – dubieuze uitgangspunten.

Uitvoering

Ros e.a. gaan ervan uit dat het vaststellen van de emissieruimte per gebied en de daaruit voortvloeiende bedrijfsspecifieke plafonds in een tijdsbestek van één jaar kan plaatsvinden. Afgaande op de procedure die Ros e.a. daarbij voorstellen (gebiedsprocessen, beheerplannen enz.) betwijfelen schrijvers van dit Position Paper of dit kan, nog afgezien van de formele kant daarvan (omgevingsverordening, aanpassing landelijke regelgeving). 

Maar, alleen al het noemen van bedrijfsspecifieke plafonds, ook al zijn die nog niet formeel vastgelegd, kan en zal impact hebben door de vooruitlopende werking daarvan. Denk daarbij aan de financiering van bedrijfsovernames.

Ros e.a. zijn in de ogen van de schrijvers van dit Position Paper wel realistisch wat betreft de tijdspanne die nodig is voor de formele invoering van doelsturing (10-15 jaar). Zowel het rapport als de Vervolganalyse schetsen uitvoerig wat er allemaal nog moet gebeuren om te komen tot.

Waar Agractie ronduit van schrikt is de governance van het hele bouwwerk. Uit de stukken wordt duidelijk dat er een enorme hoeveelheid werkgelegenheid is gemoeid met het in de benen zetten en houden van het systeem. 

Omvang beschermingsgebieden en plan Veluwe

Voor wie denkt dat het wel meevalt (de rest van Nederland) raden de schrijvers van dit Position Paper aan om kennis te nemen van de contouren van het Plan Veluwe. Dat plan kan gezien worden als een uitwerking van het Plan Ros. In het kader van dat plan is uitgerekend (met OPS en Aerius) dat, om in de buurt van de KDW’s op de Veluwe te komen, er een emissiereductie van ruim 4 kton (van ruim 7 kton in 2019 naar 3 kton in 2035) dient plaats te vinden. Om daar te komen is een forse emissiereductie nodig op het hele grondgebied van alle 21 gemeenten in en rond de Veluwe nodig. Dus het hele gebied tussen IJssel, Randmeren, Rijn en Heuvelrug. 

Zoals gezegd pleiten Ros e.a. voor dezelfde aanpak in alle gebieden met een aanzienlijke overschrijding van de KDW. Alleen in gebieden waar “de KDW in zicht is”, kan volstaan worden met een 500 meter zone.

Dit in acht nemende is het maar de vraag hoe groot (of klein) de “rest van Nederland” is/wordt. De vraag stellen is het antwoord geven.

Tenslotte

De schrijvers van dit Position Paper zijn zeer bevreesd dat veehouders met deze aanpak tegen elkaar uitgespeeld gaan worden. Niet alleen tussen gebieden, maar ook tussen sectoren en binnen gebieden.

Om diverse redenen (zie o.a. de paragraaf over de uitgangspunten) kunnen de schrijvers van dit Position Paper zich niet vinden in de door Ros e.a. bepleite aanpak die gebaseerd is op een enorme emissiereductieopgave, op het vastleggen van bedrijfsspecifieke plafonds en op doelsturing.

De schrijvers van dit Position Paper zijn in beginsel niet tegen elke vorm van emissiereductiebeleid, maar dat moet dan wel een beleid zijn dat gebaseerd is op feiten en niet op frames, ficties en modellen. En ook een beleid waarbij belangen tegen elkaar worden afgewogen. Bijvoorbeeld het belang van voedselzekerheid.

Een voorbeeld daarvan is het significantiestrokenvoorstel van Agractie (dat is wezenlijk van anders dan de door Ros e.a. genoemde 500 meter zones) en stimulerende vormen van doelsturing (belonen in plaats van straffen).

Agractie Nederland​​​ – Erik Luiten
Dutch Dairymen Board​​​ Sita van Keimpema
Nederlandse Melkveehouders vakbond Harmen Endendijk
Nederlandse Vakbond Pluimveehouders -​ Ewout Klok
Vereniging van Kalverhouders​​ – Hans Luijerink

bb712897-e183-4264-aeee-d0df4c61610e