Provincie Gelderland praat in Ontwerp Omgevingsvisie over perspectief, maar zet landbouw verder onder druk.

Zienswijze Agractie Nederland op het beleid voor Stikstofreductiegebieden van de provincie Gelderland(Versnellingsaanpak Stikstof – strokenbeleid

Inkadering zienswijze

De zienswijze van Agractie is niet alleen gericht op het voorgenomen beleid van de provincie Gelderland zoals neergelegd in bijlage 1 van de Statenbrief van 21 januari 2026 maar impliciet ook op de wijzigingsvoorstellen m.b.t de omgevingsverordening en het planMER rapport. 

Inleiding

Agractie is positief is over het feit dat een aantal (stringente) maatregelen, die waren opgenomen in het conceptbeleidsplan, geschrapt zijn. Deze positieve woorden doen echter niet af aan de principiële bezwaren tegen het beleid dat Gelderland voert.

Beleid gebaseerd op onjuiste framing

Het belangrijkste bezwaar van Agractie is dat het beleid van de provincie gebaseerd is op het frame dat het slecht gaat met de natuur, dat dit het gevolg is van te veel stikstofdepositie en dat er natuurherstel moet plaatsvinden. Dit frame komt voort uit de Natuur Doel Analyses, waarbij door de provincie met name gewezen wordt op de “nee, tenzij kwalificaties. Echter, bij nadere bestudering van de NDA’s blijkt dat in de NDA’s niet te vinden is dat er sprake is van verslechtering ten opzichte van het referentiejaar (meestal 2004) en dat er wat betreft stikstof sprake is van een cirkelredenering. “De berekende depositie van stikstof ligt ver boven de KDW en dus gaat het slecht met de natuur”. Veelal ontbreekt informatie over het referentiejaar en dat geldt in veel gevallen ook over de staat van de natuur op het moment dat de NDA’s zijn opgesteld. Het is dan wel erg gemakkelijk om in dat geval de situatie van de habitat en/of de soort maar als nee, tenzij te kwalificeren. 

De vraag is of de situatie m.b.t. habitats en soorten wel zo slecht is als men – waaronder de Ecologische Autoriteit – ons wil doen geloven. In dit verband is het niet onbelangrijk dat het ministerie van LVVN nieuwe NDA’s wil laten opstellen. In plaats van uit te gaan van ondermaatse NDA’s roept Agractie de provincie Gelderland op om alvast te starten met het opstellen van nieuwe NDA’s (op basis van adequate monitoring), met name voor de Veluwe en de N 2000 gebiedjes in de gemeente Winterswijk.

Vergunningverlening

De provincie motiveert het stikstofreductiegebiedenplan door te wijzen op de problematiek m.b.t. de vergunningverlening. Het plan moet het mogelijk maken om de handhaving van PAS melders, interimmers en anderen zonder adequate vergunning van zich af te kunnen houden, om intrekkingsverzoeken af te kunnen wimpelen en om de recent weer ingevoerde salderingsregeling in de benen te kunnen houden.

Agractie begrijpt dat de provincie onder druk staat van organisaties als MOB om actie te ondernemen, maar kiest daarbij de verkeerde weg. Wat betreft PAS melders en anderen met een berekende depositie van minder dan 1 mol kan de provincie al gebruik maken van de voorgenomen invoering van de 1 mol rekenkundige ondergrens (zie Kamerbrief 17 oktober 2025). 

Stikstoffuik

En wat betreft de vergunningverlening in zijn algemeenheid kiest de provincie ervoor te blijven zwemmen in de stikstoffuik waarin Nederland al sinds 2003 inzit. Ondanks het feit dat in de Brusselse richtlijnen het woord stikstof niet voorkomt, heeft Nederland ervoor gekozen om een gunstige staat van instandhouding te bereiken door te sturen op de proxy stikstofdepositie. Probleem is dat de stikstofdepositieberekeningen berusten op een modellenwerkelijkheid. Dat betreft niet alleen de Kritische Depositie Waardes (KDW’s) als zodanig, maar ook en vooral de discutabele Aerius berekeningen van de (droge) depositie opstikstofgevoelige N 2000 gebieden (gebieden met een lage KDW). Agractie verwijst in dezen naar rapporten van Ronald Meester en Wouter de Heij.

Agractie ontkent niet dat stikstof in sommige gebieden een drukfactor kan zijn. En ook niet dat er dichtbij stikstofgevoelige habitats sprake kan zijn van directe depositie op nabij gelegen stikstofgevoelige habitats. Waar Agractie wel grote problemen mee heeft is dat de provincie Gelderland haar natuur- en stikstofbeleid volledig baseert op dubieuze Aerius berekeningen. Dat betreft zowel de instandhoudingsmaatregelen genoemd in artikel 6 lid 1 van de Habitatrichtlijn (HR), als de Passende maatregelen genoemd in artikel 6 lid 2 van de HR als de beschermingsmaatregelen zoals genoemd in artikel 6 lid 3 van de HR. 

Het laatstgenoemde subartikel gaat over de vergunningverlening. De provincie gaat er kennelijk van uit dat men met stringente maatregelen in de stikstofreductiegebieden (500 meter zones) intrekkings- en handhavingsverzoeken m.b.t. bedrijven buiten de zones van zich af kan houden. Dit komt over als een beleid waarbij bedrijven buiten de zones gered moeten worden met stringente maatregelen binnen de zones. Dat kan niet waar zijn! Bedrijven zonder adequate vergunning zijn in de regel in de problemen gekomen door inadequaat overheidshandelen en dat betekent dat niet dat andere bedrijven maar moeten bloeden om dit falendeoverheidsprobleem op te lossen.

Het is ons bekend dat de provincie geconfronteerd wordt met verzoeken om intrekking van (onherroepelijke) vergunningen. Agractie wil hierbij aantekenen dat ook deze verzoeken gebaseerd zijn op achterliggende depositieberekeningen die berusten op modellenberekeningen over de door deze bedrijven veroorzaakte depositie.

Stikstofbeleid over een andere boeg

Agractie is van mening dat het stikstofbeleid over een andere boeg moet worden gegooid en dat is door het inkaderen van het begrip significante effecten uit artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn. Dat gebeurt in Duitsland en dus moet het ook in Nederland kunnen. Agractie stelt in dit verband voor om significantiestroken in te stellen rondom stikstofgevoelige habitats (op hexagoonniveau) van 250 meter met een aanpassing van het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL). Binnen de stroken is in principe sprake van significante effecten, zal een passende beoordeling gemaakt moeten worden en is een natuurvergunning vereist. Op een afstand van meer dan 250 meter vanaf een bron is geen sprake van een causaal verband tussen emissie en depositie. Buiten de 250 meter stroken is daarom geen sprake van significante effecten, is geen passende beoordeling nodig en dus ook geen natuurvergunning. De emissie van bronnen buiten de 250 meter kan wel een bijdrage leveren aan de depositie vanuit de atmosfeer op stikstofgevoelige habitats. Mede om die reden en ook om een nieuw PAS debacle te voorkomen is buiten de zone een gestaag dalende emissie nodig. 

Verschil tussen significantiestroken en stikstofreductiegebieden

Agractie hecht eraan te benadrukken dat significantiestroken principieel verschillen van de door de provincie Gelderland genoemde stikstofreductiegebieden. Nog afgezien van het verschil in breedte (250 versus 500 meter) is het grote verschil daarin gelegen dat bij het Gelderse beleid er buiten de stikstofreductiegebieden nog steeds een natuurvergunning nodig is. Elk plan of project buiten deze gebieden zal dus nog steeds getoetst moeten worden aan artikel 6 lid 3 van de habitatrichtlijn en gezien de uitspraken van de Raad van State is het verkrijgen van een natuurvergunning –vanwege het additionaliteitsbeginsel– vrijwel onmogelijk. Dat geldt dus impliciet ook voor het recent ingevoerde salderingsbeleid van de provincie. 

Emissiereductiebeleid binnen de significantiestroken

Agractie erkent dat binnen 250 meter van een bron sprake kan zijn van significante effecten op dichtbij gelegen stikstofgevoelige habitats. Dat wil niet per definitie zeggen dat er binnen die stroken geen ontwikkelingen meer kunnen plaatsvinden. Dat hangt namelijk af van de feitelijke situatie in het nabijgelegen natuurgebied. Monitoring zal moeten uitwijzen of sprake is van een situatie waarbij externe drukfactoren, zoals stikstof emissie, een essentiële rol spelen bij het in een gunstige staat van instandhouding brengen van een gebied. Is dat het geval dan zal er met de betrokken agrarische ondernemers gesproken moet gaan worden over:

– Verplichte compensatie voor de waardedaling van grond en gebouwen.

– Vrijwillig stimulerend emissie reductiebeleid (trappetje van Remkes, herverkaveling enz.).

– Vrijwillig stimulerend beleid wat betreft het mitigeren van andere mogelijke drukfactoren.

Geld is hierbij de sleutel om te komen tot de gewenste –en wellicht noodzakelijke- emissiereductie. Voorwaarde is dat de grond in agrarisch gebruik blijft.

Dit is een groot verschil met het beleid van de provincie wat betreft de stikstofreductiegebieden waarbij verplichte maatregelen aan de orde zijn, zonder dat gekeken wordt naar de feitelijke situatie in het nabijgelegen N 2000 gebied.

Emissiereductiebeleid buiten de significantiestroken

Agractie erkent dat buiten de significantiestroken sprake moet zijn van een gestaag dalende lijn wat betreft de emissie van ammoniak. Feitelijk is dat sinds 2018 al het geval door het bestaan van productieplafonds (dierrechten en fosfaatrechten), afroming, opkoopregelingen en inplaatsingsverboden. Waar bewezen effectief,kan een verdere reductie van emissie gestimuleerd worden door het stimuleren van managementmaatregelen en innovatie. Via de Omgevingsvergunning kan de toepassing van Best Beschikbare Betaalbare Technieken gestimuleerd worden.

Rijksbeleid nodig 

Het significantiestrokenbeleid, dat door Agractie bepleit wordt, kan niet door de provincie worden ingevoerd. Daarvoor is het Rijk aan zet. Echter de provincie kan bij het Rijk wel pleiten voor de invoering van dat beleid. Al was het maar omdat de provincies –die verantwoordelijk zijn voor het natuurvergunningenbeleid– al jaren geconfronteerd worden met falend rijksbeleid 

Instelling Stikstofreductiegebieden lost vergunningenproblematiek niet op

Uit het stikstofreductiegebiedenplan valt af te leiden dat de berekende depositiedaling op de Veluwe gemiddeld slechts 50 mol per hectare per jaar bedraagt. Daarmee blijft de KDW voor verreweg de meeste gebieden ver buiten bereik. En dus wordt binnen de bestaande regelgeving de vergunningenproblematiek niet opgelost. Want die bestaande regelgeving komt er sinds 18 december 2024 op neer dat bij projecten, waarbij de berekende depositie boven de 0,005 mol per hectare per jaar zit, zowel interne als externe saldering stuiten op het additionaliteitsbeginsel.

Uit het stikstofreductiegebiedenplan valt af te leiden dat ook de provincie zich realiseert dat het plan en de uitvoering daarvan de vergunningenproblematiek niet zullen oplossen. De provincie lijkt er in dit verband op te rekenen dat het rijk (nog) komt met een geborgd stikstofreductieplan voor de rest van de provincie.

Of het rijk met zo’n plan komt zal in de komende tijd moeten blijken, maar het is allerminst zeker dat de combinatie van generiek emissiereductiebeleid (rijk) en gebiedsgericht beleid (provincie) de vergunningenproblematiek gaat oplossen en zeker niet op korte termijn. 

Het plan van Agractie biedt dat perspectief wel.

Wat als de provincie toch door wil op de ingeslagen weg?

Mocht de provincie ondanks onze bezwaren toch doorgaan op de ingeslagen weg dan wil Agractie de volgende opmerkingen bij het plan plaatsen:

a. Breng de breedte van de stikstofreductiegebieden terug naar 250 meter. Dat sluit tenminste aan op het start en vervolgpakket van de MCEN. Het verbreden van die zone van 250 naar 500 meter levert enerzijds slechts een zeer beperkte depositiewinst op terwijl het anderzijds grote consequenties heeft voor de ondernemers op en rond de betreffende Natura 2000 gebieden. De verbreding naar 500 meter is in onze ogen disproportioneel.

b. Leg stikstofreductiegebieden alleen rondom expliciet stikstofgevoelige habitats aan en niet om alle “nee, tenzij”habitats. Zoals eerder is aangegeven heeft de nee, tenzijaanduiding van habitats op dubieuze gronden plaatsgevonden. Breng in kaart wat de feitelijk situatie is in de stikstofgevoelige habitats die dichtbij agrarisch gebied liggen om vast te kunnen stellen of het nodig is daar een stikstofreductiegebied om heen te leggen.

c. Vergoed de waardedaling van grond- en gebouwen in de stikstofreductiegebieden en ga met eigenaren/gebruikers van grond en gebouwen binnen de stikstofreductiegebieden (van 250 meter) in gesprek over mogelijkheden om emissies te reduceren. Biedt hun een breed palet aan mogelijkheden aan volgens het trappetje van Remkes. Mogelijk kan ook het middel kavelruil bijdragen aan emissiereductie. In dit kader kan ook de exacte afbakening van de 250 meter bij percelen die deels binnen en deels buiten de zone liggen besproken worden. Hetzelfde geldt voor gebouwen die op de grens staan.

NB Agractie staat achter het idee om bij dit proces zaakbegeleiders te betrekken.

d. Agractie begrijpt dat het zinvol kan zijn (zie b.) om emissies te reduceren in 250 meter zones langs stikstofgevoelige habitats. Maar zet daarbij dan in op het stimuleren van emissiereductiemaatregelen met forse financiële stimulansen op basis van het Trappetje van Remkes, zowel wat betreft emissiereductie in stallen en mestopslag als wat betreft het emissiearm uitrijden van mest. Deze vorm van doelsturing werkt veel effectiever dan doelsturing met sancties. Het argument dat een dergelijke benadering niet leidt tot het lostrekken van de vergunningverlening en dat daarvoor geborgde daling nodig is, gaat toch al niet op zoals eerder betoogd. Daarvoor is een fundamenteel andere aanpak nodig en dat kan de provincie niet regelen.

NB Agractie is in dit verband positief over het voornemen om bij de aanpassing van stallen geen afromingspercentage van 35 % te eisen bij interne saldering. Daarbij blijft wel de vraag of interne saldering in dit soort gevallen door de rechter zal worden toegestaan als de regelgeving niet fundamenteel wordt aangepast.

e. Laat het idee om eventueel aanwezige latente ruimte in te nemen varen. Nog afgezien van het feit dat voor bijna alle sectoren al productieplafonds bestaan en dat daardoor het benutten van latente ruimte al begrensd wordt, begeeft de provincie zich met het wegnemen van latente ruimte op het dubieuze pad van een onbetrouwbare overheid. Dit pad schaadt het toch al broze vertrouwen van agrariërs in de overheid.

f. Laat de verplichte modernisering van stallen en het verbod op het gebruik van stikstofhoudende kunstmest in de stikstofreductiegebieden achterwege. De bijdrage van het gebruik van kunstmest – zeker waar het gaat om KAS – aan de emissie van stikstof is buitengewoon gering en dus is de maatregel in onze ogen disproportioneel.

g. Agractie begrijpt dat de provincie geen nieuwe bedrijven wil in de stikstofreductiegebieden, is het eens met de provincie dat hervestiging moet worden toegestaan, maar vindt ook dat aanpassing en uitbreiding van bedrijven niet moet worden uitgesloten. Ook in dit soort situaties waarbij sprake is van blijvers dient met betrokkenen gezocht te worden naar ene voor alle partijen bevredigende oplossing.

h. Agractie is positief over het idee om te komen tot collectieve mestverwerkingsinstallaties.

i. Agractie is kritisch wat betreft het mikken op gebiedsprocessen (Winterswijk, GEUS) in plaats van een aanpak via stikstofreductiegebieden. Met inachtneming van onze opmerkingen over de 250 meter zone langs stikstofgevoelige habitats, waarbij stikstofdepositie binnen die zones niet te ontkennen valt, is de directe depositie op een grotere afstand niet meer te herleiden naar de bron. De consequentie is dat met de huidige Aerius systematiek veel meer emissiereductie in het totale gebied moet plaatsvinden om tot dezelfde depositiereductie te komen dan met alleen maatregelen in de 250 meter zone. 

j. Uit het stikstofreductiegebiedenplan blijkt overduidelijk dat de provincie zich ook wel realiseert dat met het plan de vergunningverlening niet op gang zal komen. Om die reden wordt verwezen naar emissiereductiemaatregelen buiten de stikstofreductiegebieden zoals neergelegd in het al bestaandeFood Valley plan, het nog op te stellen Plan Aanpak Veluwe en landelijk beleid. De provincie rekent daarbij op een autonome daling van de emissie met 44%. De onderbouwing van die 44% is uitermate dubieus. Nog afgezien daarvan denkt Agractie niet dat met deze plannen de vergunningverlening wel loskomt en zeker niet op korte termijn. Agractie is niet tegen het reduceren van stikstofemissie buiten stikstofreductiegebieden maar dat moet dan wel bewezen effectief zijn en bovendien gebaseerd op vrijwilligheid (positieve doelsturing).

k. Agractie vraagt zich overigens in gemoede af wat de provincie bedoelt met een Versnellingsaanpak Veluwe. Wat hangt boeren en tuinders nog boven het hoofd? In dit verband vindt Agractieoverigens dat er sprake is van een bestuurlijke chaos die tot grote onduidelijkheid leidt voor boeren en tuinders op en rond de Veluwe. Wat is de samenhang tussen het Food Valley Plan, het Plan Aanpak Veluwe en het stikstofreductiegebiedenplan? Het ontbreken van duidelijkheid hierover leidt tot zeer veel wantrouwen bij de betrokken boeren en tuinders en dat is bepaald geen goede voedingsbodem om te komen tot emissiereductie.

l. De provincie zegt dat er € 2 à € 3 miljard nodig is om de plannen te realiseren. Dat geld is er niet en de verwachting van Agractie is ook dat dit geld er niet komt. In de ogen van Agractie is dat ook niet nodig maar Agractie kan ook niet overzien hoeveel geld er dan wel nodig is om enerzijds bedrijven met gebouwen/gronden te compenseren voor het waardeverlies en anderzijds voor vrijwillige maatregelen binnen stikstofreductiegebieden van 250 meter. Het door Agractie voorgestelde beleid binnen de stikstofreductiegebeden (250 meter) zal zeker minder kosten dan € 2 à € 3 miljard maar waarschijnlijk wel meer dan € 600 miljoen. Hierbij wil Agractie overigens aantekenen dat de € 300 miljoen voor de Veluwe (in het kader van het start en vervolgpakket van de MCEN) expliciet betrekking heeft op 250 meter zones langs stikstofgevoelige gebieden (pagina 12).

m. Agractie is het tenslotte met de provincie eens dat er meer geld moet worden uitgetrokken voor monitoring van de staat van instandhouding in Natura 2000 gebieden, en voor beheers en –voor zover nodig- herstelmaatregelen binnen die Natura 2000 gebieden. Daarbij dient de provincie nauwlettend in de gaten te houden dat die maatregelen ook uitgevoerd gaan worden. 

a72330bd-c146-4488-ab71-cca0f1ef907d